dagzege

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag·ze·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dagzege dagzegen
dagzeges
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

dagzege v/m

  1. (sport) iemand die de wedstrijd van een bepaalde dag wint in een wedstrijd die meerdere dagen duurt
    • Dylan Groenewegen heeft ook de tweede etappe van Parijs-Nice gewonnen, een rit over 163 kilometer van Les Bréviaires naar Bellegarde. De sprinter van Jumbo-Visma deed dat op bijzondere wijze, zonder zogenoemde sprinttrein. Groenewegen was attent toen drie renners van Sky er in de slotfase vandoor gingen. Met vier andere renners sloot hij aan om vervolgens de sprint om de dagzege te winnen. [1] 
    • Matthews bekroonde het harde werk van Sunweb met de dagzege. ,,We weten dat we een heel sterk team hebben en dat hebben we vandaag getoond”, zegt de Australiër die in het algemeen klassement derde staat op 2 minuten en 48 seconden achter De Gendt. [2] 
    • Peterhansel boekt tweede dagzege Dakar: De Franse rallyrijder Stéphane Peterhansel heeft maandag zijn tweede etappezege in de Dakar Rally van dit jaar geboekt. Hij legde de ingekorte zevende klassementsproef van ruim 140 kilometer tussen La Paz en Uyuni in Bolivia als snelste af. De rijder van Peugeot was 48 seconden rapper dan zijn landgenoot Sébastien Loeb (Peugeot). De Zuid-Afrikaan Giniel de Villiers (Toyota) zette de derde tijd neer; hij gaf 3.33 minuten toe op de dagwinnaar. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
83 % van de Vlamingen.

Verwijzingen