tijdsein

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

BBC tijdsein
Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·sein
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdsein tijdseinen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdsein o [1]

  1. een signaal dat op een bepaalde tijd gegeven wordt, een signaal dat aangeeft hoe laat het is
    • Ook het tijdsein dat de digitale radio uitzendt, loopt misschien een beetje achterop. Een ander nadeel van DAB is dat het signaal minder ver draagt dan van de analoge tegenhanger. Vlaamse zenders zijn daardoor, anders dan met de `gewone FM-uitzendingen; niet of moeilijk te ontvangen buiten Vlaanderen, en op de ontvangst van buitenlandse digitale radiozenders kun je in België; ook niet rekenen.[2] 
    • In de wingerdachtige wirwar van het vernikkelde brons heeft de kunstenaar voorts diverse radioprogramma's verbeeld: twee kinderfiguren voor de kinderprogramma's, een opengeslagen boek voor de literaire rubriek van dr. P.H. Ritter jr., een pauw voor de knipcursus van Ida de Leeuw-van Rees, een varken met mes en vork voor de kookpraatjes van mevrouw R. Lotgering-Hillebrand, een haan voor het tijdsein, een aap voor de humor, twee uilen voor de wijsheid, een kameleon voor de verscheidenheid, een kikker voor de weersverwachting en aan de bovenste weerszijden de maskers van komedie en tragedie.[3] 
Synoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Tubantia 09 JANUARI 2004 Kim De Rijck
  3. NRC Henk van Gelder 21 oktober 2000