zondvloed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zond·vloed
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘grote vloed’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562 [1]
  • samenstelling van  zonde  en  vloed 
enkelvoud meervoud
naamwoord zondvloed zondvloeden
verkleinwoord zondvloedje zondvloedjes

Zelfstandig naamwoord

zondvloed m

  1. een catostrofale Bijbelse vloed
Spreekwoorden
  • Na mij de zondvloed.
  • Dat is een probleem dat zich pas voordoet als ik er niet meer ben - het zal mijn tijd wel duren.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen