toptijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • top·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord toptijd toptijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

toptijd m [1]

  1. (sport) snelste tijd; heel goede tijd
    • De 21-jarige Baker, die bij de Olympische Spelen van 2016 zilver won op dit nummer, tikte aan na exact 58,00 seconden. Ze dook daarmee precies één tiende onder de oude mondiale toptijd, die sinds de WK van 2017 in Boedapest op naam stond van de Canadese Kylie Masse. [2] 
  2. periode dat iets op zijn hoogtepunt is
    • Het is opmerkelijk dat een bouwbedrijf momenteel, in een toptijd, failliet gaat. De oorzaak is volgens de curator een nasleep van de crisis. "Ik denk dat het door een aantal uitlopen komt, van problemen van enkele jaren geleden", aldus Kolkman. Dat werkte door. "Er was te weinig werk en het bedrijf kon niet inkopen doordat er schulden waren bij leveranciers. Dan kun je alleen nog maar uren declareren. Dat schiet niet op." [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
95 % van de Vlamingen.

Verwijzingen