babytijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ba·by·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord babytijd babytijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

babytijd m

  1. het eerste jaar van iemands leven
    • Ze neemt even een adempauze. ,,Bijvoorbeeld foto's van mijn reizen door de Verenigde Staten en Nepal, uit mijn babytijd, mijn diploma-uitreiking en van momenten met mijn vader in Duitsland, waarmee ik helaas geen contact meer heb." [1] 
    • Stichting Hartekind vraagt deze week aandacht voor de 25.000 kinderen met een aangeboren hartafwijking. Zij ondergaan vanaf hun babytijd meerdere zware en traumatische operaties. Jaarlijks overlijden 150 kinderen. [2] 
    • Ik heb geen enkele behoefte om hen te zien. Ik kén mijn ouders. Het was heel violent om terug te gaan naar een plek waar ik sinds mijn babytijd niet meer was geweest, maar die ik toch kende. [3] 
    • Ieder jaar opnieuw hebben 36 kinderen in Nederland hun leven te danken aan de vaccins die ze vanaf hun babytijd geprikt kregen. [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen