tijdklok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·klok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdklok tijdklokken
verkleinwoord tijdklokje tijdklokjes

Zelfstandig naamwoord

tijdklok v/m

  1. (elektrotechniek) een schakelaar die om een bepaald tijdstip automatisch de schakeling omzet
    • Toen we op vakantie waren gebruikten we een tijdklok om 's avonds te laten lijken alsof we thuis waren. 
Synoniemen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Meer informatie