stagetijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sta·ge·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stagetijd stagetijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stagetijd m

  1. de periode dat men tijdens een opleiding onder begeleiding in een bedrijf werkt
    • Van Bijsterveldt zou zich moeten richten op het verbeteren van de lerarenopleidingen. Ze moet dit vanwege de overheid directiever en met meer vaart doen dan nu het geval is. Stel hogere toelatingseisen, verbeter de inhoud van het curriculum en verhoog het niveau ervan, stel hogere eisen aan het niveau van de lerarenopleiders en aan het leren op de werkplek (de stagetijd).[1] 
    • Vóór de stagetijd voor de klas staan en intussen je bevoegdheid halen als leraar. Heel belangrijk voor het kweken van pedagogische vaardigheden. `Het meest verraste mij hoe hard de leraar moet werken.'[2] 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Volkskrant Edith Hooge 9 december 2010
  2. NRC Jacqueline Kuijpers 6 december 2003