Naar inhoud springen

Zeit

Uit WikiWoordenboek
  • Zeit
enkelvoud meervoud
nominatief die Zeitdie Zeiten
genitief der Zeitder Zeiten
datief der Zeitden Zeiten
accusatief die Zeitdie Zeiten

Zeit, v

  1. (tijdrekening) tijd


  • Zeit
  • Afkomstig van het Middelhoogduitse zelfstandige naamwoord  zît zn , dat van het Oudhoogduitse zelfstandige naamwoord  zît zn  komt ("iets dat afgezonderd is")
enkelvoud
(onbepaald)
enkelvoud
(bepaald)
meervoud
(onbepaald)
meervoud
(bepaald)
nominatief en Zeitdie ZeitZeide
Zeite
die Zeide
die Zeite
datief re Zeitder ZeitZeide
Zeite
de Zeide
de Zeite
accusatief en Zeitdie ZeitZeide
Zeite
die Zeide
die Zeite

Zeit, v

  1. (tijdrekening) tijd
  2. menstruatie
  • [1] bei Zeit kumme
    op tijd komen
  • [1] die Zeit biede
    de tijd van de dag doorbrengen
  • [1] fer 'n Zeit
  • [1] oft Zeide
  • [1] sei Zeit schteh
    zijn leertijd afmaken