tijdnood

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·nood
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdnood tijdnoden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdnood m

  1. te weinig tijd hebben om iets te doen of af te maken waardoor problemen ontstaan
    • Het schooljaar was al vergevorderd toen De Bruyne ietwat in tijdnood aan zijn eindwerk begon. In Mechelen draaide hij in een kerk een aflevering van wat Sorry voor alles zou worden. ‘Het project begon uit te dijen’, zegt Dehaen. ‘Het kostenplaatje werd te hoog. Pas toen we dat konden aantonen, was Kamiel bereid een stuk decor te laten vallen.[1] 
    • "Met de gemeente Oldenzaal kon alles worden geregeld. Enschede was echter een ander verhaal."Hij is ontevreden over hoe die aanvraag ging. "Bij evenementen met minder dan 500 deelnemers hoef je alleen melding te maken bij de gemeente. Na twee weken kregen wij te horen dat de gemeente dat toch onvoldoende vond. Daarna dienden wij meteen een vergunningaanvraag in, maar die is nu vanwege tijdnood afgewezen. De gemeente moet zich bedenken of ze de burgers heeft geholpen met dit besluit."[2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Standaard 22 NOVEMBER 2017
  2. Tubantia 28-NOVEMBER-17