proeftijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • proef·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord proeftijd proeftijden
verkleinwoord proeftijdje proeftijdjes

Zelfstandig naamwoord

proeftijd m

  1. een periode waarin men iets of iemand kan uitproberen
    • Na een proeftijd van een maand krijgt hij een vaste baan. 
  2. een periode waarin men bij het plegen van een strafbaar feit de voorwaardelijke straf alsnog krijg opgelegd
    • Hij kreeg een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van 2 jaar. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie