tijdloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van tijd met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tijdloos tijdlozer tijdloost
verbogen tijdloze tijdlozere tijdlooste

Bijvoeglijk naamwoord

tijdloos

  1. niet horend tot een tijdelijke modetrent, eeuwig, blijvend
    • De lijnen van deze stoel hebben een tijdloze schoonheid 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.