pubertijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: puberteit

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pu·ber·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord pubertijd -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

pubertijd m

  1. de tijd waarin iemand de puberteit ondergaat
    • De pubertijd is berucht om zijn emotionele problemen. 
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie