paartijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • paar·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord paartijd paartijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

paartijd m

  1. (seksualiteit) tijd van paring bij dieren
    • hoera, de paartijd is weer aangebroken 
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie