stamtijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stam·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord stamtijd stamtijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

stamtijd m

  1. (taalkunde) een vaste reeks van vormen van een werkwoord waarvan men de andere vormen kan afleiden m.n. het hele werkwoord, de verleden tijd enkelvoud en het voltooid deelwoord
    • De stamtijden van het werkwoord maken zijn: maken, maakte, gemaakt 
    • Tijdens mijn middelbare school sprak ik met mijn lerares Latijn af dat ik niet meer in haar lessen zou verschijnen. Dat scheelde me namelijk gedurende twee jaar vijf uur in de week. Er was een probleem: toen het eindexamen naderde, wist ik geen stamtijden, had ik geen woordenschat, kende ik geen grammatica.[1] 
    • De Grieken en Romeinen zijn de uitvinders van onze democratie, vrijheid van meningsuiting en vloerverwarming. Daarom zijn ze relevant; niet vanwege hun stamtijden. Moeten we pubers de weg leren in een wereld die weg is? Voor goed burgerschap is stampwerk geen sine qua non maar een sta-in-de-weg.[2] 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Ebel Kemeling 30 augustus 2014 Goed dat deze studenten veel risico’s aandurven Ja
  2. NRC Arjen van Veelen 11 januari 2010 Mondje Chinees is nuttiger dan Latijn