bloeitijd

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bloei·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bloeitijd bloeitijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bloeitijd m

  1. de periode van het jaar dat er bloemen aan een plant bloeien
    De bloeitijd van de heide is in juli en augustus.
  2. de hoogtij van iets
    De bloeitijd van Nederland was in de 17de eeuw.

Meer informatie