tempo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tem·po
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tempo tempo's
tempi (vaktaal)
verkleinwoord tempootje tempootjes

Zelfstandig naamwoord

tempo o

  1. de snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld
    • Het tempo van dit pianostuk ligt behoorlijk laag. 
  2. de snelheid waarmee dingen elkaar opvolgen
    • Het tempo van de les lag een pak hoger dan in de lagere school. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Indonesisch

Woordafbreking
  • tem·po
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tempo

  1. tijd
Synoniemen
Afgeleide begrippen


Italiaans

Woordafbreking
  • tem·po
enkelvoud meervoud
tempo tempi

Zelfstandig naamwoord

tempo m

  1. tijd
  2. weer
  3. tempo, snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld
Overerving en ontlening


Portugees

Uitspraak
  • IPA: /'tẽpʊ/
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

tempo m

  1. tijd
  2. (sport) periode (helft) waarin de speelduur is verdeeld
  3. (taalkunde) tijd (werkwoordsvorm)
  4. seizoen
  5. weer
Overerving en ontlening