tijdeloos

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tij·de·loos
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van tijd met het invoegsel -e- met het achtervoegsel -loos
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tijdeloos tijdelozer tijdeloost
verbogen tijdeloze tijdelozere tijdelooste
partitief tijdeloos tijdelozers -

Bijvoeglijk naamwoord

tijdeloos

  1. zonder aan tijd gebonden te zijn
    •  
Synoniemen

Gangbaarheid

65 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.