zittijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zit·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zittijd zittijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zittijd m

  1. examenperiode
    • Het academiejaar begint vroeger, de eerste zittijd vindt voor de kerstvakantie plaats, het tweede semester start vroeger met kort daarna de examens, en de herexamens zijn nog in juni gepland. Alle studenten hebben de kerstvakantie en de zomer vrij.[1] 
    • Aan de eerste zit van het examen hadden begin juli nog 5.030 studenten deelgenomen, van wie er 752 geslaagd waren. Een groot deel van de studenten die toen niet slaagde, heeft zich nu opnieuw ingeschreven. Al zitten er onder de deelnemers aan de tweede zittijd ook altijd wel studenten die bij de eerste sessie niet aanwezig waren, omdat ze bijvoorbeeld met vakantie waren, verduidelijkt Viona Raymaekers van het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen.[2] 
  2. de tijd dat men op een stoel zit
    • Sporten en bewegen helpt zeker om diabetes tegen te gaan, maar uit het onderzoek kwam naar voren dat het beperken van je zittijd achter de computer nog veel belangrijker is.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

89 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Standaard 25/09/2017 Leuven wil tweede zit in juni
  2. de Standaard 29/08/2017 door mg 3.601 kandidaten voor arts en tandarts
  3. de Telegraaf 04 jan. 2016 Kom uit die stoel!