baktijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bak·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord baktijd baktijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

baktijd m [1]

  1. tijd die nodig is om iets te bakken (voedsel of een ander materiaal)
    • Ik gebruikte ramekins en deed onderin een papieren cakevormpje waardoor ze makkelijk te lossen zijn. Wie zo’n porseleinen vormpje gebruikt, moet wel een iets langere baktijd aanhouden.[2] 
  2. (figuurlijk) tijd die nodig is om iets te maken
    • Een significant verschil tussen kaasmakers en opiniemakers is de snelheid waarmee zij hun producten fabriceren. In dit verband schreef opiniemaker Rob Wijnberg in 2013 in De Nieuwsfabriek: „Het duurt (…) meestal niet langer dan een paar uur voordat een willekeurig onderwerp in het nieuws al door een heel leger aan politici, opiniemakers en journalisten van commentaar is voorzien, in veel gevallen zelfs nog vóórdat duidelijk is wat er precies is gebeurd of gezegd.” De afgelopen drie jaar is dat tempo nog verhoogd. Inmiddels is de baktijd van de gemiddelde opinie, zeker op de sociale media, teruggelopen tot hooguit een paar minuten.[3]  
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Roos Ouwehand 20 november 2013
  3. NRC Ewoud Sanders 3 augustus 2016