tezelfdertijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • te·zelf·der·tijd
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

tezelfdertijd

  1. geeft een gebeurtenis aan die in hetzelfde tijdvak plaatsvindt
    • Hij is student, maar tezelfdertijd is hij in de politiek actief. 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.