bijtijds

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bij·tijds
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

bijtijds

  1. (ruim) binnen de beschikbare tijd, op tijd
    • Als je bijtijds vertrekt hoef je je niet te haasten. 
    • Hij had al zijn werkstukken bijtijds ingeleverd. 
    • Hij was nog een half uur doorgelopen en de Heuvels waren hoger en hoger geworden toen hij plotseling bijna struikelde. Hij kon zich nog bijtijds op de been houden. [1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Herzen, Frank De zoon van de woordbouwer 1970 ISBN 9062805450 pagina 120