tijdpad

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·pad
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdpad tijdpaden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

tijdpad o

  1. tijdschema volgens welke de stappen van een plan zouden moeten plaatsvinden

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
69 % van de Vlamingen.

Verwijzingen