tijdsbestek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijds·be·stek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdsbestek tijdsbestekken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdsbestek o [1]

  1. een bepaalde tijdsduur of tijdsperiode.

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen