tijdperk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·perk
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdperk tijdperken
verkleinwoord tijdperkje tijdperkjes

Zelfstandig naamwoord

tijdperk o

  1. een begrensde en als eenheid beschouwde tijd
    In welk tijdperk leefden de dinosauriërs ook al weer?
Synoniemen
Hyponiemen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Meer informatie