keizertijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kei·zer·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord keizertijd
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

keizertijd m [1]

  1. het tijdperk dat keizers aan de macht zijn of waren
    • Van der Eijk zelf zag het belang van het vak toen hij begin jaren negentig een lezing bijwoonde van de Britse classicus Vivian Nutton over Galenus. „Voor mij was hij toen nog een vrij onbekende figuur, die als breedsprakig gold, zelfs als een ‘onverdraaglijke windbuil’.” Maar na de lezing begreep Van der Eijk dat opvattingen over ziekte en gezondheid een goede ingang vormen tot de mentaliteit en de cultuur van de antieke samenleving als geheel. Galenus bleek daarvoor een uitstekende bron. Hij had zich grondig verdiept in de grote Griekse filosofen (Plato, Aristoteles, Epicurus en de Stoïcijnen) en zijn werk staat vol persoonlijke anekdotes uit het sociale en culturele leven in de Romeinse keizertijd. [2] 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Theo Toebosch 30 april 2016