tijdreis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·reis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdreis tijdreizen
verkleinwoord tijdreisje tijdreisjes

Zelfstandig naamwoord

tijdreis v/m

  1. een echte of verbeelde reis door de tijd
    • Bij het lezen van een historische roman maak ik een soort van tijdreis. 
    • In veel sciencefictionverhalen komen tijdreizen voor.  
Verwante begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen