springtij

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

eb en vloed amplitude in Vlissingen waarbij er enkele dagen na volle- en nieuwe maan springtij is
Uitspraak
Woordafbreking
  • spring·tij
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord springtij springtijen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

springtij o [2]

  1. extra hoge vloed (en extra laag laagwater)
    • Het gekrakeel van die jonkies, waarvan sommigen amper een kwast konden vasthouden, was als springtij door het dorp geraasd. Subsidie was een heilig gewoonterecht! Wat moesten ze dan godverdomme? Buigen voor de commercie? Moesten ze op zoek naar sponsors, of terug naar het mecenaat dat toch werkelijk dood was en hopelijk voorgoed begraven? [3] 
    • In de nacht van zaterdag 31 januari op zondag 1 februari 1953, de nacht van Beatrix' vijftiende verjaardag, werd Nederland getroffen door een natuurramp van ongekende omvang. Door een samenvallen van springtij met een zware noordwesterstorm werd aan de westkust het peil van gevaarlijk hoogwater overschreden. [4] 
    • Rond 14 uur kwam een groep kinderen in het water zwaar in de problemen. Het was kort na springtij, de golven waren heel hoog en door de hevige stroming op het water werden ze tegen de funderingen van het Westerstaketsel geduwd. Een omstander zag de kinderen in moeilijkheden en verwittigde de hulpdiensten.[5] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. springtij op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. Lau, Thé Juliette [2014] ISBN 978-90-488-2133-4 pagina 18
  4. Withuis, Jolande Juliana [2016] ISBN 978-90-234-3523-5 pagina 478
  5. de Standaard 26/JUNI/2017 door Marc Klifman en Dominique Jauquet