tijdgebrek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·ge·brek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdgebrek
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdgebrek o [1]

  1. te weinig tijd hebben om iets te doen
    • Maxine (27) maakt van haar dagelijkse treinrit gebruik om zich op te maken. ‘Daar is maar één reden voor: tijdgebrek’, zegt ze. ‘Als ik me ’s ochtends moet haasten, dan is make-up aanbrengen het eerste wat erbij inschiet.[2] 
    • Barnier zei vanmiddag dat hij bereid is de onderhandelingen te íntensiveren', maar volgens ingewijden heeft dat alleen zin als de startposities van beide partijen duidelijk zijn. Brussel maakt zich zorgen over het tijdgebrek dat zich steeds manifester aftekent.[3] 
    • Dat haastige spoed niet altijd goed is, blijkt ook uit cijfers van DAS. De juridisch dienstverlener waarschuwde vorige zomer al dat het aantal conflicten tussen kopers en verkopers fors toeneemt. Reden: tijdgebrek onder woningzoekenden. Aan dat beeld is weinig veranderd, laat woordvoerder Olav Wagenaar weten. Integendeel: Ín 2016 zagen we een stijging van 20 procent van het aantal zaken dat betrekking heeft op verkoop en aankoop van onroerend goed.'Dan gaat het bijvoorbeeld om juridische conflicten over gebreken aan het huis die pas achteraf aan het licht komen.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Standaard 2 DECEMBER 2017
  3. Tubantia Frans Boogaard 28-AUGUSTUS-2017
  4. Volkskrant Koen Haegens 30 augustus 2017