zaaitijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zaai·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zaaitijd zaaitijden
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zaaitijd m

  1. de periode waarin gezaaid kan worden
    • Een deel van de gewassen en planten heeft het voorjaar als zaaitijd. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.