studietijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·die·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord studietijd studietijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

studietijd m

  1. de tijd in iemands leven dat men studeert
    • Hij heeft zijn vrouw leren kennen tijdens zijn studietijd in Groningen.  
  2. de tijd die een normstudent nodig heeft voor een opleidingsprogramma of deel daar van
    • Voor een ECTS-credit heeft de normstudent een studietijd van 28 uur nodig. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen