zoektijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoek·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zoektijd zoektijden
verkleinwoord zoektijdje zoektijdjes

Zelfstandig naamwoord

zoektijd m

  1. de tijd die het vergt om iets te vinden
    • In een recessie wordt de zoektijd voor een nieuwe baan altijd een stuk langer. 

Gangbaarheid