zonnetijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zon·ne·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zonnetijd zonnetijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zonnetijd m [1]

  1. de plaatselijke tijd gemeten met een zonnewijzer; de ware tijd; de plaatselijke tijd die bepaald wordt door de stand van de zon
    • Vermits een seconde bekomen met een atoomklok, korter is dan een seconde bepaald als de fractie van een zonnedag, zal de TAI afwijken van de tijdsschaal gebaseerd op de aardrotatie, ook wel de Universele Tijd genoemd. Voor praktische doeleinden is het echter noodzakelijk om ons tijdssysteem zo dicht mogelijk te laten aansluiten bij de zonnetijd. [2] 
    • De meningen lopen uiteen. Sommigen raden om gezondheidsredenen af om slechts twee of drie uren per dag te kunnen eten en drinken. Zij verkiezen te vasten volgens de kalender van Mekka. Anderen vinden dat alle moslims moeten vasten volgens de zonnetijd van het land waar ze wonen. [3] 
    • Op 1 mei is het sinds een eeuw overal even laat in Nederland. Voor 1909 was dat anders. Sloeg de klok twaalf uur in Leiden, dan was het in Deventer later. Dat was ook zo op andere plaatsen, omdat de torenklokken toen de plaatselijke zonnetijd aangaven. [4] 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen