aankomsttijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·komst·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord aankomsttijd aankomsttijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aankomsttijd m

  1. De tijd van aankomst.
    • In de aankomsthal van het vliegvel kunnen we de aankomsttijden van de vliegtuigen zien. 

Gangbaarheid