legtijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • leg·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord legtijd legtijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

legtijd m

  1. de periode van het jaar dat vogels hun eieren leggen en de jongen uitbroeden
    • Staatssecretaris Dijksma wil het verbod op snavelkappen van leghennen drie jaar vervroegen. „Dat is niets anders dan goedkoop politiek scoren”, meent pluimveehouder Gerrit Wessels uit Enter (OV). En of het dierenwelzijn ermee gebaat is? „Snavelbehandelen is kortstondig leed, waarmee de kip voor de rest van de legperiode veel leed wordt bespaard.” [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Pluimveeweb 29 juni 2013 geraadpleegd 28 oktober 2018 ‘Ingreep bespaart leed in legtijd’