spreektijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • spreek·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord spreektijd spreektijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

spreektijd m

  1. de tijd die je in een vergadering mag spreken
    • Naarmate het debat vorderde diende de mislukte militaire coup voor de meeste fractievoorzitters steeds meer als stootkussen om hun eigen punten voor binnenlands gebruik te maken. Dat ondervond vooral het Kamerlid Kuzu die met zijn partij Denk de verkiezingen in wil gaan. Hij had slechts twee minuten spreektijd maar werd door al zijn collega’s zwaar aangevallen waardoor hij veel langer achter het spreekgestoelte kon staan en onverstoorbaar antwoordde. Kuzu weigerde een veroordeling uit te spreken over de reactie van de Turkse president Erdogan.[1]  
  2. de tijd die je kunt telefoneren met je telefoon voordat de batterij leeg is
    • Mijn telefoon kan maximaal 100 uur stand-by staan en heeft een spreektijd van 4 uur voordat de batterij leeg is. 

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Mark Kranenburg NRC 14 september 2016