looptijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loop·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord looptijd looptijden
verkleinwoord looptijdje looptijdjes

Zelfstandig naamwoord

looptijd m

  1. de tijd dat iets duurt (van bijvoorbeeld een lening, een abonnement)
    • De looptijd van het abonnement is 3 jaar. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie