lunchtijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • lunch·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord lunchtijd lunchtijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

lunchtijd m [1]

  1. het periode van de dag dat men gewoonlijk de middagmaaltijd gebruikt
    • De te hardwerkende docent gebruikt de lunchtijd om kopieën te maken voor de leerlingen. Terwijl het beter voor haar was om rustig te gaan eten. 
     Dit was het moeilijke moment, dat was altijd zo. Nu moest hij zeggen dat de dienst hem helaas riep en dat hij rond lunchtijd al opgehaald zou worden met een geheim transport. Maar dat ze elkaar altijd konden schrijven, dat de oorlog niet eeuwig duurde en dat hij haar onmogelijk zou kunnen vergeten. Ze was natuurlijk wanhopig en vond dat hij haar erin had geluisd.[2]

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Blauwe ster” (2016), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628265
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be