destijds

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • des·tijds
Woordherkomst en -opbouw
  • Genitief van de tijd (des tijds).

Bijwoord

destijds

  1. in die tijd
    • - Destijds was ik nog een klein jongetje. 
    • - Toen hij de overeenkomst las, viel hem op dat hij voortaan moest zwijgen over de kwestie. In het stuk stond dat „beide partijen ten opzichten van derden geheimhouding betrachten over de inhoud, achtergrond en wijze van totstandkoming”. „Dat heb ik geweigerd”, zegt Roomans. „Ik wilde niet opnieuw door de daders geheimhouding opgelegd krijgen. Destijds moest ik zwijgen, nu weer. Dat vertik ik.” Hij liet de clausule schrappen.[1] 
Synoniemen
Vertalingen
stellend
onverbogen destijds
verbogen destijdse

Bijvoeglijk naamwoord

destijds

  1. wat destijds aan de orde was
    • Hij was de destijdse president. 
Synoniemen
toenmalig
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC Robert Chesal Joep Dohmen 19 maart 2016