oefentijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fen·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefentijd oefentijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

oefentijd m [1]

  1. een periode die nodig is om iets te oefenen
    • Het is niet alleen de schuld van Anders Ericsson zelf, schrijft David Epstein in The sports gene. De Zweedse psycholoog Ericsson werd beroemd met zijn ‘10.000-urenregel’; vernoemd naar de oefentijd die nodig is om expert te worden in om het even wat. Handenvol boekenschrijvers gingen aan de haal met Ericssons publicatie uit 1993, waaruit bleek dat violisten gemiddeld 10.000 uur moesten oefenen om een internationaal podium te halen. Zo veel oefenen zou nodig zijn, maar ook volstaan, om een topper te worden.[2] 
  2. de periode in iemands leven dat je kunt oefenen
    • Tienertijd is oefentijd. Wie dan niet de gelegenheid krijgt om te proberen én om uit te glijden leert niets. Die maakt zijn uitglijders onvermijdelijk later, als ze niet meer acceptabel zijn. Wie met jongeren geen risico's durft te nemen, met alle schade en ongelukken die daar bij horen, kweekt incompetente volwassenen. Dat is geen pleidooi voor een gemakkelijke laisser-faire, laisser-aller-houding. Je gooit een kind dat moet leren zwemmen ook niet eenvoudig over je schouder van een brug af. Maar thuis vastbinden helpt zeker niet.[3]  
  3. de tijden die je behaalt tijdens het oefenen van iets
    • ,,Het verliep wat ons betreft volgens plan, zei Schumacher. De oefentijden die de andere teams hadden neergezet hadden Ferrari geïmponeerd. In plaats van te streven naar pole position was besloten tot een ,,werkbare strategie voor de race. Het was Schumachers zevende zege op het Circuit Gilles Villeneuve: een record. Geen coureur won ooit zevenmaal een race op hetzelfde circuit (Senna won zesmaal in Monaco, Prost zes keer in Frankrijk en Brazilië). [4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Michiel van Nieuwstadt 14 december 2013
  3. NRC Rik Smits 16 juli 1997
  4. NRC Frank Kuin 14 juni 2004