begintijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·gin·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord begintijd begintijden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

begintijd m

  1. tijdstip waarop iets begint
Antoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.