deeltijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • deel·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deeltijd -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

deeltijd m

  1. gedeelte van de (werk)tijd die normaal als volledig geldt
    • In Nederland werken en studeren zeer veel mensen in deeltijd. 
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be