tijdsduur

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijds·duur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdsduur -
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdsduur m

  1. de tijd dat iets duurt
    • De nummers op deze cd variëren in tijdsduur van drie tot acht minuten. 
  2. een tijdsspan
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.