op tijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op tijd

Frase

op tijd

  1. op of voor de afgesproken of goede tijd
    • Hij was oprecht van plan om deze keer wel op tijd te komen. 
  2. niet te laat
    • De patiënt had beloofd op tijd zijn arts te waarschuwen als de klachten niet minder werden.