tijdblok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·blok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdblok tijdblokken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdblok o

  1. een tijdseenheid die in een bepaalde situatie wordt gebruikt
    • Ook zijn er DBC’s die op tijdblokken gebaseerd zijn. Dit motiveert zorgverleners om net een paar minuten meer te schrijven zodat ze net over de grens van de volgende code komen. Als je aan je zorgverzekeraar uitleg vraagt dan krijg je een lijst met onbegrijpelijke codes. De verzekeraars interesseert het niet. Hun winst is een percentage van de gedeclareerde zorg, dus hoe meer zorg, hoe liever. Hoog tijd voor een ander systeem, gebaseerd op zuinigheid. [1] 
  2. een bepaalde tijdsperiode met een duidelijke begin- en eindtijd
    • De wereld draait door (VARA) van Nederland 3 naar Nederland 1. Niet omdat Van Nieuwkerk zo aandrong, maar omdat het netmanagement dat het beste vindt voor de publieke tv. Dat wil zeggen: het gaat door tenzij een andere omroep een beter plan indient voor het programmaslot (tijdblok in het uitzendschema) tussen 19.00 en 20.00 uur. Dat lijkt onwaarschijnlijk, maar dat is wel de officiële lijn van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO). [2] 
    • Wil je meer rust in je schema? Reserveer dan enkele weken vooruit tijdblokken in je agenda om ongestoord te kunnen werken. [3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.


Verwijzingen