tijdsblok

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijds·blok
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdsblok tijdsblokken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdsblok o

  1. een afgegrensde periode met een duidelijke begin- en eindtijd
    • Ook Het Stedelijk Museum heeft te maken met drukte, daarom is een plan ontwikkeld om de toeloop bij populaire tentoonstellingen meer te spreiden: het invoeren van tijdsblokken. Bezoekers kunnen via internet de periode reserveren wanneer ze komen. 'De ervaring leert dat ze op een andere tijd komen als ze zien dat er in dat tijdsblok al veel kaartjes zijn verkocht,'zegt Christian Taal, manager facilities van het museum.[1] 
    • De drukte in de eerste zaal, met drie zelfportretten van Rembrandt, is meteen al groot. Het is alvast een waarschuwing hoe het op de route verder gaat. 'Je kunt beter niet aan het begin van een tijdsblok komen, want dan staat het helemaal vast,'raadt een suppoost aan. [2] 
  2. een bepaalde tijdsduur
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid


Verwijzingen