tijdstip
Uiterlijk
- tijd·stip
- samenstelling van tijd en stip
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tijdstip | tijdstippen |
| verkleinwoord | - | - |
het tijdstip o
- een punt in de tijd
- Op dat tijdstip lag ik nog lekker te slapen.
- ▸ Niet dat ik verwacht dat ze me op dit tijdstip nog zouden bellen, maar je weet het nooit.[1]
- ▸ Paul gaat op het bed zitten, aan mijn kant, op dezelfde plek waar ik vorig jaar rond dit tijdstip zat, kort voordat Emil op me dook en we voor de laatste keer seks hadden.[2]
- Het woord tijdstip staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "tijdstip" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[3] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑ “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789024582280 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %