wintertijd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·ter·tijd
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord wintertijd -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

wintertijd m

  1. de tijd zoals die geldt in de herfst- en wintermaanden, zonder dat de klok een uur vooruit is gezet
    • In Nederland is de wintertijd geldig van eind oktober tot en met eind maart. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie