tijdlimiet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd·li·miet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tijdlimiet tijdlimieten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

tijdlimiet v/m

  1. uiterste tijdstip of uiterste tijdsduur
    • De jury van de Ronde van Spanje maakte zondag een uitzondering voor een groep van maar liefst negentig renners. Zij overschreden in de vijftiende etappe wel heel ruim een tijdlimiet maar mochten in koers blijven. [1] 
    • ,,De tijdlimiet is een advies, verduidelijkt Erik van der Veer. Hij is coördinator van de buurtpreventieteams in Rijswijk die samenwerken met de plaatselijke politie. ,,Mijn eigen kinderen mogen de deur ’s avonds ook niet open doen. [2] 
    • Vooraf had hij al aangegeven dat hij zich met deze stunt ’in de hel op aarde’ zou begeven en dat er een mogelijkheid was dat hij zou kunnen sterven, als hij niet binnen 1 minuut en 45 los zou komen. Toen die tijdlimiet verstreek, raakte Johnson zichtbaar in paniek. Al worstelend met de sloten, moest hij uiteindelijk de paramedici om hulp te vragen. De Daily Mail tekende het verhaal op, vergezeld van foto’s. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.

Verwijzingen