werk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • werk
enkelvoud meervoud
naamwoord werk werken
verkleinwoord werkje werkjes

Zelfstandig naamwoord

werk o

  1. dat wat gedaan moet worden, klus, arbeid, karwei
    • Het werk dat moest gebeuren, is voltooid. 
  2. beroep
    • Het werk van Hans is buschauffeur. 
  3. de plek waar men werkt, werkplek
    • Hans kwam vandaag te laat aan op het werk. 
  4. dat wat gemaakt is, kunstwerk, pennenvrucht, boekwerk, oeuvre, opus etc.
    • Het werk van Magritte zal op de veiling verkocht worden. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen
1. vlaswerk (gewonden om een rokken)

Zelfstandig naamwoord

werk o

  1. de verwarde, grove bij het hekelen afgescheiden afvaldraden van vlas of hennep, vooral de kortere draden
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
werken

werk

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
    • Ik werk. 
  2. gebiedende wijs van werken
    • Werk! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van werken
    • Werk je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie