beroep

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roep
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van de stam van het werkwoord roepen met het voorvoegsel be- [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord beroep beroepen
verkleinwoord beroepje beroepjes

Zelfstandig naamwoord

beroep o [2]

  1. (economie) een bezigheid waarmee men de kost verdient
    • Hij is bakker van beroep. 
  2. dringend verzoek om hulp of bijstand, appel
    • ik doe hierbij een dringend beroep op je 
  3. (juridisch) in beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
    • Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in beroep. 
  4. (juridisch) in hoger beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
    • Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in hoger beroep. 
  5. (juridisch) (België) hof van beroep: de rechtbank die het hoger beroep behandeld.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een beroep op iets of iemand doen
vragen of iemand iets kan doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beroepen

beroep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    • Ik beroep me. 
  2. gebiedende wijs van zich beroepen
    • Beroep je! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    • Beroep je je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen