beroep

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·roep
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘appèl, herziening van vonnis aan hogere rechter vragen’ voor het eerst aangetroffen in 1292 [1]
  • afgeleid van de stam van het werkwoord roepen met het voorvoegsel be- [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord beroep beroepen
verkleinwoord beroepje beroepjes

Zelfstandig naamwoord

beroep o [3]

  1. (economie) een bezigheid waarmee men de kost verdient
    • Hij is bakker van beroep. 
    • Toch was hij ook eigen plannen gaan ontwikkelen. Hij wilde weg, hij voelde wel wat voor Tonkin, al wist hij zelf niet goed waarom. In ieder geval wilde hij het beroep van boekhouder opgeven en iets anders gaan doen. [4] 
  2. dringend verzoek om hulp of bijstand, appel
    • ik doe hierbij een dringend beroep op je 
  3. (juridisch) in beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
    • Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in beroep. 
  4. (juridisch) in hoger beroep gaan: verzoek bij een hogere rechtsinstantie om herziening van een vonnis of beschikking (een rechtsmiddel)
    • Na de uitspraak van de rechter ging hij direct in hoger beroep. 
  5. (juridisch) (België) hof van beroep: de rechtbank die het hoger beroep behandeld.
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een beroep op iets of iemand doen
vragen of iemand iets kan doen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
beroepen

beroep

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    • Ik beroep me. 
  2. gebiedende wijs van zich beroepen
    • Beroep je! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich beroepen
    • Beroep je je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen